EEM

Het volledige lemma 'Eem' uit het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, van A.J. van der Aa, 1839. Dit prachtige boek is op cd-rom verkrijgbaar bij het Centraal Bureau voor Genealogie.

EEM of EEMS, riv., prov. Utrecht, zij komt voort, ten deele uit de boven de Rhenensche Veenen, en ten deele uit de Veluwe, vloeijende door verscheidene beken en riviertjes bij de stad Amersfoort te zamen, van waar zij noordwaarts naar de Zuiderzee loopt om zich, omtrent drie uren ver van de gezegde stad, daarin te ontlasten. Deze rivier wordt gerekend ouder te zijn dan de Zuiderzee zelve. Aangezien van de EEM en EEMSTROOM reeds gewag gemaakt wordt op het jaar 777, toen KAREL de GROOTE aan de kerk van St. Martijn te Utrecht schonk, en in eeuwigen eigendom overgaf Lusiduna of Leusden, in het land of vrijdom van Flehite op de Eem, met alle aanklevende landen, huizen, wateren, bosschen enz.; zoo als het WIGGER of WIGGERUS, door der Keizeren mildadigheid, tot wederroepens toe, bezeten had.
Deze riv. heeft aanleiding gegeven tot het bouwen van Amersfoort en van het dorp Eembrugge.
Al vroeg hebben die van Amersfoort de EEM bevaren, en daarvan gebruik gemaakt, tot het vervoeren hunner bieren naar Holland en elders; ook hebben ze langs die riv. sterk ter koop gevaren, en de Zuiderzee schoon gemaakt, vele schade toebrengende aan de Hollandsche en Friesche schepen; hetwelk FILIPS VAN BOURGONDI╦, in het jaar 1428, zocht te beletten, door een schip te Amsterdam gemaakt, zoo groot als een schans, de Kat genaamd, dat hij voor den mond van de Eem plaatste en daarmede deze rivier wel eenigen tijd gesloten hield; maar die van Amersfoort hebben met behulp der Utrechtenaars, op den oever der gemelde rivier ook eene schans of groot blokhuis opgerigt, en beschoten van daar de Kat zoo sterk, dat de Hollanders, die zich daarin bevonden, het zeer kwaad kregen, doordien de Kat onbruikbaar werd, en ook naderhand, in den winter, door een zwaren ijsgang geheel en al weggeraakte.
In den beginne is de EEM zoo bevaarbaar niet geweest als naderhand, zijnde er sedert driehonderd jaren aanmerkelijke veranderingen en verbeteringen aan die rivier geschied.
De EEM heeft van de eerste Melm af naar Zee toe diepte genoeg; maar van de stad Amersfoort af, strekkende naar de Melm, moet aan deze rivier gestadig de hand gehouden worden, door de verzanding, die van de beken afkomt; zoodat, bijaldien niet jaarlijks het zand met groote kosten uitgebaggerd werd, in korten tijd onderscheidene zandplaten en banken voor de stad zouden loopen, die de geheele scheepvaart zouden beletten.
Voormaals was de vaart uit Amersfoort loopende in de Oude EEM, door de Drie sluizen in de groote Eem, zijnde toen de gemeene vaart; maar de schepen, die over zee voeren, konden in die tijden evenwel de rivier niet verder opkomen dan tot de eerste Melm bij Kragtwijk, alwaar zij in eene daartoe geschikte plaats of dok hieven liggen terwijl de goederen met kleinere vaartuigen van de stad af en aan moesten gevoerd worden. Doch tot meerder gemak is in het jaar 1555 de Nieuwe Eem gegraven, van de Koppelpoort te Amersfoort af, tot voorbij Isselt aan de Drie sluizen toe; zijnde van de stad af tot voorbij eene plaats, geheten de Melm, omtrent Soest, alwaar de schepen dagelijks aankwamen, diep gemaakt, bij het laagste water, vijf voeten; in den grond breed dertig voeten, en boven in zulker voege, dat de voorschreven rivier ten allen tijde bevaarbaar was, en dat twee schepen elkander konden voorbijkomen.
Vervolgens werd in het jaar 1567 eene baak gemaakt op den zeekant aan de westzijde in het gat van de EEM, opdat de schepen dat gat gemakkelijk zonden kunnen vinden; welke baak in volgende tijden veranderd is in eene ton.
Maar alzoo de EEM van tijd tot tijd aanmerkelijk was toegeloopen, behalve dat zij voor meer dan gewone schepen niet breed noch diep genoeg was, om van de Melm naar de stad te komen, zoo werd in 1588 besloten, haar weder te verdiepen en te verbreeden, voornamelijk van den Melm af tot aan de stad toe; ten welken einde de huislieden van alle de dorpen van Eemland beschreven werden, om de EEM te helpen graven en verdiepen, zoo als zij van ouds gewoon waren en nog in de jaren l555 en 1580 gedaan hadden. Maar, aangezien die dorpen daaromtrent eenige zwarigheid maakten, hetgeen op eene weigering uitliep, zoo hebben die van Amersfoort, om hun regt te bewaren en te behouden, zich dien aangaande, zoo bij missive als bij monde, vervoegd aan de Heeren Staten der provincie Utrecht, die, den l Mei 1589, daarop dit besluit namen: "Gedelibereert op 't aangeven van PETER VAN DAM, van wegen die stad Amersfoort gedaan, mitsgaders op de Missive van de Regeerders van dezelve stad, in dato 19 April 1589, nopende 't verdiepen van de EEM, is geresolveert, dat men aan den Maarschalk en de gemeyne Dorpen van Eemland schrijven zal, dat zij met die van Amersfoort de EEM helpen verdiepen naar oude gewoonte, op dat die schepen bekwamelijk aan de Melm en in de stad komen mogen." Waarop de EEM in datzelfde jaar nog verdiept, en weder eenigzins verbreed is. Maar in bet jaar 1613 verkreeg deze rivier hare tegenwoordige wijdte en breedte.
Vervolgens is, door de Staten van Utrecht, in het jaar 1616, opgerigt een Collegie van Watergraaf en zeven Heemraden met eenen Kameraar, die het opzigt hebben over de rivier de EEM of OUDE EEM, beken en aankleven van dien, en gehouden zijn, die in goeden staat te onderhouden; te weten: de EEM op zoodanige breedte als ten voorschreven jare bevonden werd, en de diepte op zes en een halven voet onder de klotsen, toen reeds geslagen of namaals nog te slaan.
Hierna is het gebeurd, dat in de jaren 1662 en 1665 voor den mond van de EEM, te weten: van den oosterhoek dier rivier af, tot meer dan Ż u., of wel vijfhonderd roeden in zee, zich zoodanige droogte zette, dat bij laag water geene veer- of andere schepen daarover konden komen, zoodat zij daar somtijds tien of twaalf, ja, meer dan veertien dagen moesten blijven liggen, zooals eenmaal meer dan dertig schepen ter dier plaatse bij elkanderen vastgelegen hebben, waarom de meeste gilden van Amersfoort, benevens die van het schippersgild, aan de Regering verzochten, dat daarin, door het maken van eene nieuwe opening in den zeedijk, of andere bekwame middelen, mogt voorzien worden enz., hetwelk van die uitwerking was, dat, sedert, onderscheiden lieden uit Noord-Holland en Friesland daarover gehoord, en door haar de gelegenheid van rivier en verzanding beschouwd zijnde, eindelijk in 1670 besloten werd aan het einde de rivier, zeewaarts in, eene uitpaling, ter lengte van 80 of 90 roeden, te maken, alsmede een schephoofd, ter lengte van zeven en twintig roeden, aan te leggen; welk schephoofd 's jaars daaraan nog verlengd is, met palen en tafels daar achter, tot tegen over het reeds te voren gemaakte paalwerk, houdende aldaar de tusschenwijdte van twintig roeden. Het uitvoeren en maken dezer nieuwe werken kostte de stad Amersfoort in voorzeide jaren zeventien duizend negenhonderd vijftien guldens, acht stuivers en vier penningen.
Sedert het maken van gezegd paalwerk, is bovengenoemde droogte en verzanding eenigzins verminderd, en in volgende tijden het paal- en kribwerk aanmerkelijk verbeterd, mitsgaders het inkomen der schepen in de rivier de EEM veel gemakkelijker gemaakt.
Ook is, ten dienste van de scheepvaart, in het jaar 1691, de ton, in plaats van aan de westzijde, aan de oostzijde van de rivier, op het uiterste van het schephoofd, gelegd, zooals in den jare 1696 aan de westzijde omtrent de ton, ten dienste als voren, ook een lantaren gesteld is, om bij wintertijd en donkere nachten te branden.
Om de scheepvaart nog meer te bevorderen en gemakkelijk te maken is men in het jaar 1615 begonnen een jaag- of trekpad, van de stad Amersfoort af tot in zee digt bij de ton toe, aan te leggen, hetwelk van tijd tot tijd, met groote kosten en aankoopen van het noodige land, voltrokken is.